Dolgelukkig of zielsalleen in IJsland? [mijn levensles]

Tijdens mijn huwelijksreis had ik in IJsland een grilligheid ontmoet die onstuimiger was dan mijn geest. En dat gaf me rust.

De zon warmt me op. Het is hard nodig. Na een half uur bij de kachel heb ik het nog steeds ijskoud. Na een hevige hagelbui aan de Zeeuwse kust ben ik doorweekt. In eerste instantie vond ik de donkere wolken spannend en mijn wandeling stoer, maar na de eerste windhoos en striemende regenbui haastte ik mij naar de bossen achter de duinen om uiteindelijk een schuilplek te vinden bij de kachel in een strandtent. Ik bestel een warme koffie en pak mijn boek. Over een Nederlands gezin dat bij de IJslandse fjorden woont.

Regelmatig dagdroom ik over een leven in IJsland.

Ik stel mezelf de vraag: ‘Didie, zou jij willen wonen in dit magische land met de eindeloze vergezichten?’ Mijn huwelijksreis in 2016 was de aanleiding geweest voor deze vraag die al jaren voortduurde. Tijdens mijn huwelijksreis had ik in IJsland een grilligheid ontmoet die onstuimiger was dan mijn geest. En dat gaf me rust, die grillige magie van IJsland.

Ik leg mijn boek neer en kijk naar de schittering van de zon op de haastige golven van de Hollandse zee.

Hoe vér moeten de gezichten zijn? Waarom zouden deze Zeeuwse golven minder zijn dan de stroming in de Noordelijke IJszee die uit hetzelfde water bestaat? Ik denk aan de woorden van zenmonnik Thich Nhat Hanh: “Een golf wordt geboren en vergaat, maar blijft altijd water.” Waarom moet ik zo nodig naar IJsland verlangen als dit hetzelfde water is? En dezelfde zon. Zijn dit dezelfde stralen als het gouden licht dat mijn ingebeelde leven in IJsland zal verwarmen?

Ik ken de waarheid.

En het irriteert me dat ik mijn les nog steeds niet heb geleerd: als ik niet kan genieten van de schitterende vergezichten die zich hier aandienen zal geen enkel ander tafereel mij gelukkiger maken. Geen leven in IJsland anders dan een doorleefd gevoel op de plek waar ik me nu bevind. Het ontroert me. Mijn gedachten dwalen af naar mijn zoon. Een kereltje dat niet piekert over zijn thuisland, enkel over de lekkerste snoepjes en leukste vriendjes. Mijn liefde voor hem is groter dan die voor mezelf. Hij leert me te voelen zonder dat hij zich ervan bewust is.

Ik haal diep adem en zie de schaduw over mijn hand vallen.

Mijn pen beweegt als verlengstuk van mijn gevoel. Ik denk niet meer en schrijf vanuit een gewicht dat zwaarder lijkt dan het is. Voelen maakt me duizelingwekkend gelukkig en tegelijkertijd in de war. IJsland, waarom ook alweer?

Ik probeer scherper te denken gevoed door mijn emoties: Vanwege de leegte.

Daarom wil ik erheen. Zodat mijn gedachten rustig worden, net zo leeg als de vlakten van het eenzame eiland. Plotseling ontvouwt zich een ander scenario in mijn gedachten: En als mijn hart leeg wordt in plaats van mijn hoofd? Net zo eenzaam als de verlaten hutten op de flanken van de heuvels? Wonen in een verlaten wereld waar mijn zoontje zal opgroeien in stilte? Welke lessen leert hij me dan?

Mijn hart vertelt me het antwoord: Dat mama zich niet hoeft te verbergen.

Niet voor haar pijn, voor het gemis van geborgenheid in haar jeugd. Voor de haast die ze heeft om te leren leven. Omdat ze bang is dat ze het nooit zal leren en het straks te laat is.

Ik slik een ongemakkelijk gevoel weg en neem een slokje water. Mijn kleding is opgedroogd. Ik krijg het warm. In mijn buik voel ik een knoop die geen knoop wil zijn. De muziek speelt al zo lang als dat ik in deze strandtent ben. Ik hoor het nu pas. Phil Collins spreekt me toe: ‘another day in paradise‘. De brok in mijn keel wordt groter. De scheldwoorden donderen door mijn hoofd. Laat mij het paradijs voelen.

Ik verlang er al zo lang naar en doe iedere seconde mijn stinkende best. Help me dan!

Het is stil geworden. Binnen en buiten. Twee jonge ouders maken een foto van hun pasgeboren kindje. Ze lopen langs het kustpad. Ik wil ook weer naar buiten, op adem komen. Al durf ik niet te stoppen met schrijven. Ik ben bang voor mijn onrust. ‘Adem halen, dat werkt altijd. Gewoon leven Didie’, dat is alles wat ik bedenken kan. Een dooddoener. Maar daar moet ik mee doen. Of nee, daar mág ik het mee doen.

Het wordt iets lichter in mijn hoofd en de knoop in mijn buik wordt minder.

Ik doe nog een poging de muziek te beluisteren: ‘I wanna dance with somebody’, klinkt er door de boxen. De serveerster staat dansend de bar schoon te maken. Zomaar op een maandagmiddag in Zeeland tijdens een onstuimige winterdag. Ik voel het zonlicht opnieuw met een glimlach. Alleen in IJsland? Nee, dansend op een vulkaan, dat past beter bij me. Net als de koprol die mijn man, zoontje en ik op zondagochtend maken in ons riante bed.

Dat ik tijdens mijn huwelijksreis in IJsland zo gelukkig was, kwam dat alleen door de vergezichten?

Of door het feit dat ik samen met mijn man de grootste lol had in de ijzige kou tussen de Aziaten met selfiesticks. En dat we samen met een IJslands biertje en chips achterin de excursiebus als enige naar de IJslandse gids luisterden, terwijl we op onze telefoon een filmpje ontvingen van ons tweejarige zoontje bedolven onder een kerstmuts bij opa en oma in het logeerbed?

Het is doodeng om toe te geven dat ‘samen’ een voorwaarde was voor mijn geluk in IJsland.

Afhankelijk te zijn van een ander om plezier te hebben. Op mezelf heb ik altijd kunnen rekenen, vooral toen ik me alleen voelde als klein meisje thuis. Nu is er ‘samen’ en dat is eng.

IJsland is nog niet uit mijn hoofd en zal ook nooit verdwijnen.

Ik zal er terugkeren, maar niet voor altijd. Mijn zoontje zal het er geweldig vinden, een vakantie lang. En ik zal er af en toe alleen op uit trekken, naar een uitgestrekte vlakte als ik ‘samen’ een beetje eng vind. Of ik rijd gewoon eens naar de Zeeuwse kust, zomaar op een maandagochtend.

Ik heb het inmiddels veel te heet gekregen bij de haard achter het glas in de zon. De stoel begint ongemakkelijk aan te voelen. De storm is gaan liggen. De golven niet. Het water blijft water, en ik blijf Didie: Iemand die dolgraag wil leren leven voordat het te laat is. Ik heb er al 42 jaar opzitten. Het voelt alsof ik nog een kleuter ben. Dat ik nog niks weet en vooral ontzettend eigenwijs ben.

De zenmonnik fluistert in mijn oren: hoe wijzer je wordt des te minder je weet.