Waar zijn mijn gedachten gebleven?

gedachten

Vandaag was mijn hoofd vertrokken. Samen met mijn gedachten. Waar ze naar toe gingen, wist ik niet. Dat kon ik ze niet meer vragen. En dus moest ik het doen met mijn lichaam, een dubieuze bondgenoot die ik dikwijls met argusogen bekijk. Want mijn lijf staat niet altijd aan mijn zijde. Alleen al die vreselijke longziekte die mijn leven rond mijn dertigste compleet stillegde. Sarcoïdose, ik wist niet eens dat er een ziekte met zo’n naam bestond. Gelukkig heeft mijn lichaam me vaker versteld doen staan dan het me pijnigde en dus gaf ik het een kans. Om mijn geest te vinden.

Ik stapte in de auto en reed recht op mijn doel af. De universiteitsbibliotheek van Tilburg. Want daar zou ik me thuis voelen. Dat herinnerde ik mij nog uit mijn studietijd begin 2000. In afzondering, maar toch tussen de mensen. Soortgenoten die hun hongerige geest voeden met boeken en geschriften. Daar zou ik mezelf misschien wel terugvinden. Ik liep binnen en keek om me heen.

Ik moest iets doen, maar wat?

Een nieuw boek zoeken, een wetenschappelijk artikel lezen of de laatste afstudeeronderzoeken analyseren? Ik koos het laatste en bekeek tenslotte ook mijn eigen scriptie, want ik was er nog steeds trots op in tegenstelling tot andere wapenfeiten uit mijn leven. Zo heb ik nog steeds een haat-liefde verhouding met mijn Miss Nederland titel, maar cum laude afstuderen aan een universiteit, daarvoor hoefde ik me toch niet te schamen?

Ik bekeek mijn onderzoek in het online archief in de hoop iets te vinden waarin ik mezelf zou herkennen, waardoor ik zou begrijpen waarom mijn geest vertrokken was. En toen verscheen het gedicht waarmee ik mijn scriptie twaalf jaar geleden had ingeleid:

“Misschien heb je gelijk, dat ik te veel ambitie heb.
en alles absoluut volmaakt wil afleveren,
en dat ik te weinig opga in het werken zelf,
en de lol daarvan, en in het leven.”

Gerard Reve

(uit: Gerard Reve (1975 -1992) Brieven aan Matroos Vosch, 17 oktober 1977, p . 114)

Ik stond perplex. In vier zinnen alles waarmee ik worstelde. En precies op het moment dat ik het nodig had, want zonder enige aarzeling vond ik mijn gedachten terug. En zij mij. En we wisten precies waarom we elkaar nodig hadden. Om te leven.