Hoe voelt een ware roeping?

Soms geef ik op. Omdat het me uitput. Als een dwangmatige handeling die geen rem kent. Doorgaan vanuit ratio terwijl het gevoel vertrokken is. Op die momenten leg ik mijn pen voorgoed neer.

En telkens volgt er een nieuw moment waarop ik vanuit totale stilte een vertrekpunt vind.

Wanneer er geen afleiding is en ik niet veel meer kan doen dan het basale: eten, slapen en bewegen. Vanuit die leegte begint mijn hoofd weer te zoeken naar woorden die de onvoorstelbaarheid van dit leven kunnen vangen. Woorden die me raken omdat ze mij, in de juiste context, ontzettend gelukkig maken.

Als ik niks meer hoef te doen, als het vanzelfsprekende vervangen is door het alledaagse, groeit een grandioos verlangen om te schrijven. Al die woorden bij elkaar overstijgen wat ik voelen kan. Ze halen me uit een veilige balans en brengen me in een vloeiende beweging.

Het is een magische dans op de snaren van het alfabet.

Terwijl ik zoek naar woorden die meer zeggen dan een mond vertellen kan, ervaar ik mijn ware roeping. Met bezielde aandacht lees ik de brieven van Vincent van Gogh aan zijn broer Theo. Zorgvuldig geselecteerd door de Nederlandse kunsthistoricus Jan Hulsker voor zijn ‘Dagboek van Van Gogh’. De brieven nemen mijn aandacht al dagen in beslag, omdat ik zoveel herkenning voel in de woorden van de begenadigde meester:

Mijns inziens ben ik dikwijls schatrijk, niet in geld, doch (ofschoon nu niet juist alle dagen) rijk daarom omdat ik mijn werk gevonden heb, iets heb waar ik met hart en ziel voor leef en dat bezieling en betekenis aan het leven geeft.

Vincent van Gogh (maart 1883)

Zodra alle vergankelijkheid wegvalt, omring ik mij met woorden en schone gedachten die een blijvend schrift zoeken. Ze klampen zich aan mij vast om gevonden te worden. Toch laat ik ze regelmatig in de steek en breng ik ze in alle woestenij een ongekende genadeklap toe. Gelukkig zijn ze ertegen bestand en vertrouwd met mijn tijdelijke ontkenning dat de taal me altijd rust zal brengen tijdens beestachtige periodes van wilde gejaagdheid.

Mijn schrijvershart vertrouwt mij onvoorwaardelijk. Ik kan niet anders dan gedienstig zijn.

Ik pak de brieven van Vincent van Gogh er nog een keer bij:

Terwijl ik aan het werk ben voel ik een onbepaald vertrouwen in de kunst, en dat ik er komen zal; maar in dagen van fysieke oververmoeidheid, of als er financiële hinderpalen zijn, voel ik dat geloof minder en overkomt me twijfel, die ik tracht te overwinnen door dan maar weer direct de handen uit de mouwen te steken.”

Vincent van Gogh (augustus 1883)

En dus schrijf ik verder.