Menu
samenleven

Waarom zou je vrijwilliger zijn?

waarom vrijwilliger zijn

Is vrijwilligerswerk iets dat iedereen zou moeten doen? Of is dat niet vanzelfsprekend? Er bestaan zoveel vragen over onbetaald werk dat er in Nederland zelfs wetenschappelijk onderzoek wordt gedaan naar filantropie. Ik sprak hoogleraar Lucas Meijs hierover. Hij is hoogleraar strategische filantropie en vrijwilligerswerk aan de Rotterdam School of Management, Erasmus Universiteit. Dagelijks houdt hij zich bezig met de motivatie van vrijwilligers om onbetaald te werken. Bijzonder om via Meijs te ontdekken waarom we dit doen (of juist niet).

Iedereen draagt de essentie van vrijwilligerswerk in zich, compassie.

Toch is het niet vanzelfsprekend dat we allemaal vrijwilliger zijn. Hoe komt dat en wat maakt dat je die stap wél zet? Welke obstakels kunnen we uit de weg ruimen zodat we onze compassie omzetten tot actie?

Vraag jezelf af waarom je het niet bent.

lucas meijs, hoogleraar filantropie

‘De kans dat iemand spontaan opstaat om vrijwilligerswerk te doen is vrijwel nihil’, vertelt Lucas Meijs, hoogleraar strategische filantropie en vrijwilligerswerk aan de Rotterdam School of Management, Erasmus Universiteit. ‘Er is altijd wel een persoonlijke aanleiding om die eerste stap te zetten. Een positieve ervaring in het dagelijks leven zoals bij de sportvereniging of juist de afkeer van een situatie zoals bij de menselijke drama’s tijdens de vluchtelingenstromen.

Je wilt vervolgens iets doen om er een prettig gevoel voor terug te krijgen.’

Hoogleraar Meijs doet al meer dan twintig jaar onderzoek naar vrijwilligerswerk aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Sinds zijn promotie in 1997 houdt hij zich bezig met onderzoek naar het verbeteren van vrijwilligersorganisaties, naar bedrijven die aan community involvement doen tot aan sociale ondernemerschap. Meijs legt uit: ‘Waarom zou iemand zich onbetaald vrijwillig onderwerpen aan een organisatie? Die vraag fascineert mij al jaren. Vooral wanneer deze slecht georganiseerd is. Ik wil juist weten wat ervoor nodig is om het werk van de vrijwilliger goed te organiseren, door de organisatie en de deelnemer zelf.

Want hoe kunnen we voorkomen dat de tijd van de vrijwilliger wordt verknald?

Er is maar één iemand die dat bepaalt, de vrijwilliger zelf.’

Voor een gelukkige vrijwilliger is een goede organisatie belangrijk, maar net zo waardevol is het gevoel dat iemand ervoor terug krijgt. Want vrijwilliger word je met een reden, niet zomaar. Meijs: ‘Je kunt grofweg vier redenen onderscheiden waarom mensen zich inzetten. Omdat je hart op de juiste plek zit en je dat concreet wilt maken. Bijvoorbeeld wanneer mensen in je omgeving die jou dierbaar zijn je hulp nodig hebben. Of omdat je ergens bij hoort, bijvoorbeeld een vereniging, en je daarvoor wilt inzetten. Of omdat je compenseert voor bijvoorbeeld je eigen eenzaamheid of onderbenutting van je kwaliteiten. En dan is er nog de vierde reden, namelijk persoonlijke ontwikkeling.

Je ziet altijd een link met een situatie, mensen zijn nooit zomaar vrijwilliger.

Je hebt bijvoorbeeld een hospice aan het werk gezien bij je stervende moeder en wil dat werk ook gaan doen. Of je hebt iets meegemaakt in Afrika en wil je daarvoor inzetten. Vaak is er ook de herkenning thuis, je hebt het gezien bij je ouders. Zij zetten zich in en jij wil dat ook doen.’

Toch worden we niet allemaal vrijwilliger, terwijl de emotie ‘ik wil helpen’ menseigen is.

De ene keer richt dat gevoel zich op een bepaalde groep uit je eigen omgeving, een andere keer is het wat algemener zoals het applaus voor de zorg tijdens de corona crisis. Er voor elkaar zijn, dat zit in ons allemaal, maar wat weerhoudt ons er dan van? Meijs heeft een verklaring: ‘Omdat mensen niet gevraagd worden of denken geen tijd te hebben. En er zijn ook culturele en sociaal-maatschappelijke blokkades. Elkaar helpen kom je in alle culturen tegen, alleen is het niet vanzelfsprekend buiten de eigen kring.

In India, met haar kastesysteem is vrijwilligerswerk over kaste heen ongebruikelijk.

Je treedt niet buiten je eigen sociale systeem. Het doneren van bloed daarentegen is een geaccepteerde vorm, terwijl er eveneens landen zijn waar dit altijd wordt betaald. En nog een voorbeeld: in Amerika mogen studenten vrijwilligerswerk doen in het ziekenhuis, in Finland is dat zo ongeveer verboden.’ In ons land is bijna alles goed geregeld.

Daarom zie je hier een van de hoogste percentages vrijwilligers: vijftig procent.

‘Dat heeft alles te maken met onze organisaties’, weet Meijs. ‘Lang geleden hebben wij alles al georganiseerd. Daarbij komt dat protestanten hun keuzes zelf moeten organiseren. Bij de katholieken zorgde de kerk meer voor het werk maar in Nederland, mede door de verzuiling, is ook dat veel meer buiten de kerk georganiseerd. Vanwege de grote mate van organisatiedichtheid in ons land is de vraag naar vrijwilligers in Nederland altijd groot geweest. Zo rond de zestiende, zeventiende eeuw werden er al mensen aangewezen, georganiseerd dus, die moesten helpen bij een brand, het begin van de vrijwillige brandweer.’

Inmiddels neemt de ‘organisatie’ af en is het makkelijker om iets goeds te doen.

‘Geen tijd’ hoeft geen argument meer te zijn. ‘Het klassieke vrijwilligerswerk is veranderd in nieuwe vormen. Zo hoef je geen brieven meer te schrijven naar gevangenen als je iets goeds wil doen voor Amnesty. Je kunt online doneren of een digitale petitie ondertekenen. We zijn ook creatiever geworden. Kijk naar de corona crisis. Nederlanders bulken van de vrijwillige energie en die moet eruit. Door de beperkende maatregelen tijdens de crisis kwamen mensen met nieuwe ideeën. Artiesten traden op voor verzorgingshuizen en we regelden het applaus voor de zorg.’

Corona of niet, helden moeten iets doen, anders krijgen ze pukkels.

Het is ook leuker geworden, constateert Meijs. ‘Ik kom minder mopperaars tegen onder de vrijwilligers. Mensen zitten tegenwoordig niet meer zo vast in hun keuze. Als ze stoppen met hun bijdrage is dat vaak omdat ze gaan verhuizen. De meeste mensen hebben het prima naar hun zin en zo niet, dan gaan ze iets anders doen. Zo flexibel is het nu geworden. De klagers vind je vooral onder de beroepskrachten in de zorg en welzijn. Zij zien de onbetaalde krachten als een bezuiniging in plaats van een kwaliteitsverbetering. Of als een bedreiging want “wat als zij het beter kunnen?”.

Helaas worden deze vrijwilligers ook vaak als amateurs gezien.

Ook de mensen die na hun pensioen hetzelfde werk als vrijwilliger gaan doen. Onder de beroepskrachten heerst een gevoel van ‘als vrijwilliger kun je niks meer, alleen koffie rondbrengen of gasten ontvangen’. Ook al was je de maand ervoor nog een betaald verpleegkundige. In de sport kom je dat niet zo vaak tegen. Meestal zijn het oud-sporters die zich vrijwillig inzetten en dat wordt gerespecteerd.’

Als het aan de hoogleraar ligt, draagt iedereen zijn steentje bij.

‘Ik kan me niet voorstellen dat iemand niks doet. Het is tegenwoordig zo makkelijk iets te doen met je compassie’, vertelt Meijs vanuit eigen enthousiasme over vrijwillige inzet. Al blijft het voor Meijs wel van wezenlijk belang dat organisaties goed zorgen voor hun onbetaalde krachten. Anders beleeft niemand er plezier aan. ‘De school van het dorp waar ik eerst woonde vroeg regelmatig om inzet van ouders voor hun kinderen. Misschien wel zeven keer per jaar. En wat we ook deden, het was nooit genoeg, altijd gemopper. Na onze verhuizing kwamen de kinderen op een school terecht die ons maar twee keer per jaar iets vroeg. En telkens werd de inzet met applaus ontvangen. Dat gaf mij een veel beter gevoel.

Iedereen stond er vrolijker in en meer ouders zetten zich in.

Naast het schoolwerk voor de kinderen en later de scouting zet Meijs zich nog steeds vrijwillig in bij stichtingen zoals het ING Nederland Fonds en het Kasteel in Rhoon. ‘Ik woon nu tien jaar in Rhoon en werd gevraagd voor de stichting van het kasteel. Tsja, ik ben nogal makkelijk te vinden met mijn profiel’, lacht de hoogleraar. Hij zet zich in voor het behoud van de prachtige locatie en het organiseren van culturele evenementen.

Met zijn inzet is hij een van de vele Nederlanders die zich actief inzetten.

‘Eigenlijk zijn het vaak de friends, family and fools die iets doen. Daar zit ik ook tussenin, met plezier. We doen het allemaal omdat we er iets voor terug krijgen. Ons goed te voelen. De ene keer voel je dat gelijk, als je iets persoonlijks doet. Een andere keer komt het later nog wel.’ In alle gevallen geeft het de ruimte om mens te zijn. Meijs tenslotte vol overtuiging: ‘Vrijwilligerswerk is het vehikel om je compassie vorm te geven.’

Lucas Meijs

  • Geboren 1963
  • Hoogleraar Strategic Philanthropy, Rotterdam School of Management, Erasmus Universiteit Rotterdam
  • Vrijwilligerswerk Stichting Kasteel van Rhoon, ING Nederland Fonds, Rotterdam VoorGoed Agency en ISA, sport for development.
  • Getrouwd en vader van drie zoons, allemaal studenten in Utrecht
  • Favoriete hobby: wandelen, Nederlandse strips
Lucas Meijs, hoogleraar vrijwilligerswerk

Ik interviewde Lucas voor het magazine Goed Volk. Met de verhalen uit dit blad hoop ik samen met de stichting Present zoveel mogelijk mensen te inspireren tot onbetaalde inzet, of dat nu georganiseerd vrijwilligerswerk is, een eenmansactie  of om een spontaan project gaat.

Nog geen comments

    Leave a Reply